Tijdelijke btw-verlaging afbraak en heropbouw: geen discriminatie voor verkopers die niet zelf hebben afgebroken

De verkoop van een woning die gebouwd werd na afbraak van een gebouw op hetzelfde kadastrale perceel, kan onder bepaalde voorwaarden tot eind 2023 het verlaagd btw-tarief van 6% genieten. Eén van die voorwaarden is dat het moet gaan om projecten die worden uitgevoerd, vanaf de afbraak van het gebouw tot de levering van de woning, door dezelfde btw-plichtige, met name de verkoper.

Voor het grondwettelijk Hof werd een verzoek ingediend tot een gedeeltelijke vernietiging van deze bepaling. Dat de tijdelijke btw-verlaging wel geldt als de leverancier van de woning op het betrokken perceel eerst zelf een bestaande woning heeft afgebroken, maar niet als de leverancier van de woning het betrokken perceel onbebouwd heeft gekocht nadat de vorige eigenaar het oude gebouw heeft afgebroken, zou volgens de verzoekers een schending inhouden van het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van non-discriminatie. Zo zou volgens de verzoekers die voorwaarde aan de verkopers die een nieuwbouwproject hebben gerealiseerd op een terrein dat zij onbebouwd hebben gekocht nadat de vorige eigenaar de bestaande gebouwen had afgebroken, een overdreven last opleggen, omdat zij een onoverkomelijk concurrentieel nadeel lijden ten opzichte van vergelijkbare verkopers die hun nieuwbouwwoningen wel tegen het verlaagde btw-tarief kunnen aanbieden.

Volgens het Grondwettelijk Hof beschikt de wetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid om  de aanslagvoet van de btw vast te stellen. Het Hof kan de beleidskeuze van de wetgever, alsook de motieven die daaraan ten grondslag liggen, alleen maar afkeuren als die berusten op een manifeste vergissing of als kennelijk onredelijk zouden zijn. En dat is hier niet het geval. De maatregel heeft onder meer specifiek tot doel om bouwpromotoren aan te zetten verouderde gebouwen af te breken en te vervangen door een nieuwbouwproject (bevorderen van energie-efficiëntie). En dat is voor het Hof geen onredelijke beleidskeuze.

Bovendien legt de aangevochten bepaling geen onevenredige last op aan bouwpromotoren die een onbebouwd kadastraal perceel aankopen met het oog op de oprichting voor verkoop van nieuwe gebouwen. Het zijn uiteindelijk de kopers die het normale btw-tarief van 21% verschuldigd zijn. En dat dit voor die bouwpromotoren een concurrentieel nadeel kan inhouden ten opzichte van bouwpromotoren die hun nieuwbouwprojecten met 6% btw kunnen verkopen, het maakt het voor die verkopers niet buitensporig moeilijk of onmogelijk om een nieuwbouwproject te realiseren of om de gerealiseerde wooneenheden te verkopen.

Grondwettelijk Hof, arrest 56/2022, rolnr. 7611, 21 april 2022