Nu ook btw-bonnetje uitreiken voor een zakje chips

In de strijd tegen de coronacrisis besliste de regering tot eind dit jaar het btw-tarief voor restaurant- en cateringdiensten, met inbegrip van de alcoholvrije dranken, te verlagen naar 6%. Die verlaging is opgenomen in het KB van 8 juni 2020.

De fiscus geeft nu ook op deze btw-verlaging zijn commentaar in zijn circulaire 2020/C/86 dd. 29.06.2020.

Tijdelijke btw-verlaging

Voormeld KB van 8 juni 2020 voorziet een verlaging van de btw naar 6% voor alle restaurant- en cateringdiensten, vanaf 8 juni 2020 tot 31 december 2020, met uitzondering van de volgende dranken die verder als ‘alcoholische dranken’ worden aangeduid:

  • bieren met een effectief alcoholvolumegehalte van meer dan 0,5 % vol.;
  • andere dranken met een effectief alcoholvolumegehalte van meer dan 1,2 % vol.

Alle andere dan voormelde dranken worden hierna als ‘alcoholvrije dranken’ aangeduid.

De circulaire vermeldt inzake het tijdelijk karakter van deze btw-verlaging enkel dat ze geldt voor de voormelde handelingen waarvoor de btw opeisbaar is geworden vanaf 8 juni 2020 tot en met 31 december 2020. Er worden ter zake geen overgangsregelingen voorzien. Dat betekent bv. dat als een particulier in december 2020 op café enkele alcoholvrije dranken nuttigt en zijn rekening hiervoor pas betaalt op 3 januari 2021, dan is de exploitant van het café toch 21% btw verschuldigd. Want als een btw-plichtige die gewoonlijk diensten verricht voor particulieren, aan een particulier een dienst verricht waarvoor hij geen factuur moet uitreiken, dan wordt de btw pas opeisbaar op het tijdstip waarop de betaling wordt ontvangen en niet als de dienst is verricht (artikel 22bis, § 3 Wbtw).

Beoogde handelingen

De tijdelijke btw-verlaging heeft betrekking op het verschaffen in restaurants en cafés en, meer algemeen, in omstandigheden voor het verbruik ter plaatse van spijzen (verlaging van 12% naar 6%) en/of alcoholvrije dranken (verlaging van 21% naar 6%). Het speelt hierbij geen enkele rol of deze diensten worden verstrekt in een restaurant, fastfoodrestaurant, zelfbedieningsrestaurant, brasserie, café, kantine, hotel, foodtruck, marktkraam, enzovoort.

Worden voor een enige prijs zowel naast voormelde diensten ook nog alcoholische dranken verschaft voor het verbruik ter plaatse, dan moet die prijs worden uitgesplitst in enerzijds een deel voor de spijzen en/of alcoholvrije dranken waarop het verlaagd btw-tarief van 6% van toepassing is, en anderzijds een deel voor de alcoholische dranken waarop het btw-tarief van 21% van toepassing is. Over hoe die opsplitsing moet gebeuren zegt de circulaire niets. Hiervoor kan dus teruggegrepen worden naar de circulaire 2019/C/26 dd. 04.04.2019. Wat de daarin voorziene forfaitaire methode betreft waarbij forfaitair 35% van de totaalprijs aan de dranken wordt toegewezen is mogelijks een verdere opsplitsing van die 35% nodig omdat dit forfaitair bepaald deel op zowel alcoholische als alcoholvrije dranken betrekking kan hebben.

Voorverpakte voedingswaren

Over de verkoop van voorverpakte producten (bv. pakje chips, reep chocolade, worst, ijsje, kaas- of salamiblokjes, enzovoort) in omstandigheden voor het verbruik ter plaatse, past de fiscus zijn zienswijze aan. In zijn circulaire 2017/C/70 dd. 06.11.2017 stelde hij nog dat hier onverminderd het btw-tarief van 21% van toepassing was aangezien het niet om een maaltijd zou gaan. Maar door de btw-plichtige versneden kaasblokjes en stukjes salami die de klant voor verbruik ter plaatse bestelt, worden wel als een ‘maaltijd’ beschouwd.

De fiscus ging hier volledig voorbij aan de definitie van een restaurant- of cateringdienst zoals die is opgenomen in de uitvoeringsverordening 282 dd. 15.03.2011, waar er sprake is van het verstrekken van bereide of onbereide spijzen en/of dranken (zie ook Fisc. Act. 2015, 9/4).

De fiscus schikt zich nu naar die uitvoeringsverordening en aanvaardt dat het verschaffen van die voorverpakte producten in omstandigheden voor het verbruik ter plaatse wel degelijk kwalificeert als een restaurant- of cateringdienst en dus aan het daarvoor geldende verlaagd btw-tarief is onderworpen.

Dat betekent ook dat deze omzet voortaan meetelt voor de drempel van 25.000 euro om na te gaan of het gebruik van een geregistreerd kassasysteem (GKS) in de betrokken inrichting verplicht is. Nog een ander gevolg is dat als het gebruik van een GKS niet verplicht is en zo’n GKS evenmin vrijwillig wordt gebruikt, de btw-plichtige een btw-bonnetje moet uitreiken als hij voormelde voorverpakte voedingswaren verkoopt in omstandigheden voor het verbruik ter plaatse. De fiscus heeft ondertussen mondeling bevestigd dat hierop momenteel geen uitzonderingen voorzien worden. Dus wie voor deze handelingen geen btw-bonnetje wil uitreiken en evenmin het risico wil lopen op boetes wegens het niet-uitreiken ervan, zal vrijwillig moeten overschakelen op een GKS.

Aanpassing GKS

Btw-plichtigen die een GKS gebruiken moeten zo snel mogelijk de door de btw-verlaging getroffen artikelen aan de juiste tariefcode koppelen (A = 21%, B = 12%, C = 6% en D = 0%). De fiscus bevestigt dat als die aanpassingen niet tijdig werden doorgevoerd – de tijdelijke btw-verlaging is al van toepassing sinds 8 juni 2020 – dan mag de btw-plichtige nadien alsnog op basis van de details van de ingegeven verrichtingen (bv. de dagrapporten), het juiste btw-tarief toepassen en de juiste bedragen opnemen in zijn periodieke btw-aangifte. Het toe te passen btw-tarief hangt immers niet af van een codering in een GKS, maar van wat is bepaald in de wetgeving. De btw-plichtige moet dan wel in dit geval voldoende bewijskrachtige en gedetailleerde gegevens van die herberekening bewaren gedurende de wettelijk bewaringstermijn van zeven jaar (artikel 60, § 4 Wbtw).

Btw-bonnetje

De fiscus aanvaardt dat btw-plichtigen die btw-bonnetjes moeten uitreiken, het daarop voorgedrukte btw-tarief van ‘12%’ manueel mogen doorhalen en vervangen door ‘6%’ en dus geen nieuwe ontvangstbewijsboekjes moeten bestellen.

Fisconetplus, circulaire 2020/C/86, 29 juni 2020