Fiscus past nalatigheidsinteresten, verjaringstermijnen en bewaartermijn voor btw aan

De Kamer heeft een wetsontwerp aangenomen dat inzake btw onder meer de volgende aanpassingen doorvoert:

  • een hervorming en harmonisatie van de nalatigheids- en moratoriuminteresten;
  • de mogelijkheid voor de fiscus om een dwangsom te vorderen als de btw-plichtige niet meewerkt aan een fiscaal onderzoek;
  • verlenging van de bewaringstermijn van de verplicht bij te houden boeken stukken naar 10 jaar;
  • aanpassing van de verjaringstermijnen.

De wetgever maakt van het wetsontwerp gebruik om recente KB's inzake btw-tarieven te bekrachtigen.

 

Hervorming en harmonisatie nalatigheids- en moratoriuminteresten

Voor btw werd de invorderingsprocedure op 1 april 2019 al deels gewijzigd door de Wet van 26 november 2018 (B.S. dd. 04.12.2018) die het dwangbevel als uitvoerbare titel verving door een uitvoerbaar verklaarde innings- en invorderingsregister waarin de btw schuld is opgenomen. Die nieuwe regeling is van toepassing op alle btw-schulden waarvoor vanaf 1 april 2019 een uitvoerbare titel moet worden opgemaakt (als er voor een btw-schuld nog voor die datum een dwangbevel werd betekend of ter kennis gebracht dan blijven de oude regels op die invordering van toepassing).

Voor btw is de nieuwe wetgeving voor de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen niet van toepassing op:

  • vorderingen waarvoor de uitvoerbare titel al werd gecreëerd vóór 1 april 2019 via een dwangbevel dat werd betekend of ter kennis werd gebracht (artikel 19 van voormelde wet dd. 26.11.2018);
  • vorderingen waarvoor de uitvoerbare titel is gecreëerd vanaf 1 april 2019 tot 31 december 2019 (via opname in een innings- en invorderingsregister dat vóór 1 januari 2020 uitvoerbaar is verklaard).

Voor deze schuldvorderingen blijven de vroegere bepalingen inzake de invordering van de fiscale wetboeken en hun uitvoeringsbesluit(en), of van de wetten met betrekking tot de fiscale of niet-fiscale schuldvorderingen en hun uitvoeringsbesluiten, van toepassing.

Omdat het huidige wetsontwerp in een hervorming van de nalatigheids- en moratoriuminteresten voorziet vanaf 1 januari 2023 en de wetgever het wenslijk acht om de betalingsmodaliteiten van de interesten, in het bijzonder de moratoriuminteresten, voor zowel de schulden opgenomen in een dwangbevel als voor deze opgenomen in een innings- en invorderingsregister, te harmoniseren, wordt voormeld artikel 19 van de wet van 26 november 2018 aangepast. Voor de vorderingen waarvoor de uitvoerbare titel al werd gecreëerd vóór 1 april 2019 via een dwangbevel dat werd betekend of ter kennis werd gebracht, zal niet langer artikel 91 Wbtw inzake de nalatigheids- en moratoriuminteresten zoals het vóór 1 april 2019 van toepassing was, maar wel de nu gewijzigde versie van toepassing zijn.

Wat de bepalingen inzake nalatigheids- en moratoriuminteresten in het Wbtw betreft, worden de volgende wijzigingen doorgevoerd.

Ten eerste wordt de terminologie in het Wbtw geüniformeerd door in de artikelen 51ter, 55, 70, 73sexies, 81, 81bis, 82, 82bis, 85 en 92 de term 'nalatigheidsinteresten' te gebruiken (i.p.v. interesten) en in artikel 83 Wbtw wordt de term 'interesten' vervangen door 'nalatigheids- en moratoriuminteresten'.

In artikel 91 Wbtw wordt de nalatigheidsinterest voortaan bepaald op de rentevoet die is bepaald overeenkomstig artikel 2, § 2/1, eerste lid, 1°, van de wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest, verhoogd met 4 procentpunten. Die rentevoet bedraagt minstens 4% en maximum 10%. Die welke van toepassing is voor het volgende kalenderjaar wordt tijdens het derde trimester van elk vorig jaar gepubliceerd door de FOD Financiën in het Belgisch Staatsblad. Voor het jaar 2023 bedraagt deze rentevoet 4%.

De verhoging van die rentevoet met nog eens 4% om de nalatigheidsinterest voor btw te bepalen, is ingegeven door de bezorgdheid van de wetgever dat btw-plichtigen de door hen aan de Schatkist door te storten btw zouden aanwenden voor andere zaken en dus die btw als een goedkoop kaskrediet zouden gebruiken. Bovendien verzekert de btw iets minder dan 1/3 van de fiscale ontvangsten van de federale overheid, en dus is een correcte inning ervan van vitaal belang voor de begroting van de Staat en voor de financiering van de Gemeenschappen.

En zoals voor de andere schuldvorderingen beheerd door de FOD Financiën, zal de rentevoet van de moratoriuminteresten inzake btw, systematisch twee procentpunten lager liggen dan die voor de nalatigheidsinteresten.

De moratoriuminteresten die het gevolg zijn van de laattijdige teruggave in het voordeel van buitenlandse btw-plichtigen worden gelijkgesteld voor zowel de btw-plichtigen die gevestigd zijn in een andere lidstaat van de Gemeenschap als die welke buiten de Gemeenschap zijn gevestigd. Deze beginnen te lopen vanaf de eerste dag van de maand die volgt op deze tijdens dewelke de termijn van teruggave is verstreken.

Voor de andere moratoriuminteresten dan die welke verschuldigd zijn voor de laattijdige terugbetaling van de reguliere btw-tegoeden en de btw-teruggaven aan buitenlandse btw-plichtigen, wordt het vertrekpunt afgestemd op de bepalingen van artikel 418 WIB 92 (er wordt niet langer verwezen naar de regels vastgesteld inzake burgerlijke zaken). Deze moratoriuminteresten zijn verschuldigd te rekenen vanaf de eerste dag van de maand die volgt op deze in de loop waarvan de administratie in gebreke werd gesteld, door middel van een aanmaning of elke daarmee gelijkstaande akte, zoals een dagvaarding in rechte.

Tot slot wordt ook voorzien in een opschorting van de moratoriuminteresten wanneer de administratie niet over de nodige gegevens beschikt om de teruggave/terugbetaling te voldoen en deze gegevens door haar niet met redelijke inspanningen kunnen worden verkregen (afstemming met artikel 419, eerste lid, 6° WIB 92.

 

Dwangsom als de btw-plichtige de fiscus tegenwerkt

Volgens de fiscus weigeren btw-plichtigen soms om mee te werken aan een fiscaal onderzoek omdat de huidige sancties goedkoper zullen uitkomen dan de werkelijke belastingheffing. Daarom voert de wetgever in het Wbtw een artikel 92ter in. Dat voorziet dat de fiscus aan de rechter kan vragen een dwangsom op te leggen (in overeenstemming met de artikelen 1385bis tot 1385nonies van het Gerechtelijk Wetboek) als de betrokken btw-plichtige één of meer van de volgende verplichtingen niet naleeft:

  • de bewaringsverplichtingen opgenomen in artikel 60 Wbtw;
  • de voorleggingsplicht en het retentierecht van de fiscus voorzien in artikel 61 Wbtw;
  • het verstrekken van inlichtingen op verzoek van de fiscus (artikel 62 Wbtw);
  • bijzondere verplichting, mits machtiging, tot het geven van informatie door financiële instellingen (artikel 62bis Wbtw);
  • verlenen van toegang tot bedrijfsruimten (artikel 63 Wbtw).

 

Onderzoeks- en bewaartermijnen

Ook de onderzoeks- en bewaartermijnen inzake btw worden aangepast.

Ten eerste wordt de in artikel 60 Wbtw voorziene algemene bewaringstermijn voor de verplicht bij te houden boeken, stukken, enzovoort van zeven jaar terug op tien jaar gebracht.

Omdat de btw-wetgeving geen afzonderlijke bepalingen kent die de onderzoekstermijnen regelen, past de wetgever de verjaringstermijnen aan.

Zo zal artikel 81bis Wbtw voortaan in de volgende verjaringstermijnen voorzien:

  • de standaard verjaringstermijn, het einde van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van de opeisbaarheid van de btw, de interesten en de administratieve boeten zich heeft voorgedaan, blijft de regel;
  • voormelde termijn wordt met een jaar verlengd als de periodieke btw-aangifte niet of laattijdig is ingediend;
  • de bijzondere verjaringstermijnen, het einde van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van de opeisbaarheid van de btw, de interesten en de administratieve boeten zich heeft voorgedaan, blijven behouden voor de gevallen waar belastbare handelingen niet werden aangegeven, belastbare handelingen ten onrechte werden vrijgesteld en onrechtmatige btw-aftrekken werden uitgeoefend en dit blijkt uit:
    • inlichtingen, onderzoeken en controles door andere EU lidstaten of derdelanden waarmee België een overeenkomst heeft tot het vermijden van dubbele belasting of het uitwisselen van inlichtingen;
    • een rechtsvordering;
    • bewijskrachtige gegevens;
  • Voor fraude wordt de verjaringstermijn op tien jaar (i.p.v. zeven) gebracht.

De nieuwe bewarings- en verjaringstermijn zijn van toepassing op btw die opeisbaar is geworden vanaf 1 januari 2023.

 

Bekrachtiging KB's

De volgende KB's worden bekrachtigd:

  • koninklijk besluit van 27 juni 2022 tot wijziging van KB 20 inzake btw-tarieven wat betreft de levering van elektriciteit in het kader van residentiële contracten, van aardgas en van warmte via warmtenetten en sommige warmtepompen;
  • koninklijk besluit van 27 juni 2022 tot wijziging van KB 20 inzake btw-tarieven wat betreft de mondmaskers en hydroalcoholische gels.

Kamer, 2022-2023, DOC 55-2899/005, 25 oktober 2022