De wetgever heeft in een nieuw koninklijk besluit enkele belangrijke btw-verplichtingen aangepast

Verplichte elektronische melding

Voor de aangiften van aanvang (604A), wijziging (604B) of stopzetting (604C) van een btw-activiteit is reeds voorzien dat deze elektronisch moeten worden ingediend (e-604). Van die applicatie moet vanaf 1 december 2022 ook gebruik worden gemaakt voor bepaalde verplichte meldingen aan de administratie. Het gaat om onder meer het verzoek tot wijziging van de periodiciteit van de btw-aangifte, de vrijwillige overgang van een forfaitaire regeling naar de gewone regeling of de vrijstellingsregeling, drempeloverschrijding (11.200 euro) voor intracommunautaire verwervingen door een lid van de groep van 4, de mededeling dat een door artikel 44 Wbtw vrijgestelde maar niet voor btw geregistreerde btw-plichtige een dienst gaat afnemen van een buitenlandse dienstverrichter waarover de afnemer de Belgische btw moet verleggen, verklaring drempeloverschrijding (25.000 euro) voor kleine ondernemingen, …

 

Werk in onroerende staat – verlegging van heffing

Als een in België gevestigde btw-plichtige in België een werk in onroerende staat uitvoert, dan moet hij de btw-verleggingsregeling toepassen als de afnemer gehouden is tot het indienen van Belgische periodieke btw-aangiften. Als afnemers met een BE-nummer die geen periodieke btw-aangifte indienen (bv. vrijgestelde kleine onderneming, volledig vrijgestelde artikel 44 Wbtw …) dit nummer toch opgeven aan de dienstverrichter, dan moeten ze ook vermelden dat ze niet gehouden zijn om periodieke btw-aangiften in te dienen.

Om de dienstverrichter toch rechtszekerheid te bieden in het geval voormelde klant niet meldt dat hij geen periodieke btw-aangiften moet indienen, voorziet de nieuwe regeling dat de dienstverrichter volgende vermelding op zijn factuur aanbrengt: “Verlegging van heffing. Bij gebrek aan schriftelijke betwisting binnen een termijn van één maand na de ontvangst van de factuur, wordt de afnemer geacht te erkennen dat hij een belastingplichtige is gehouden tot de indiening van periodieke aangiften. Als die voorwaarde niet vervuld is, is de afnemer ten aanzien van die voorwaarde aansprakelijk voor de betaling van de verschuldigde belasting, interesten en geldboeten. Behoudens samenspanning tussen de partijen, is de dienstverrichter ontslagen van de aansprakelijkheid ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde voorwaarde betreffende de hoedanigheid van de afnemer, wanneer de afnemer de factuur niet schriftelijk betwist.”.

Volgens de wettekst is deze vermelding enkel verplicht als de klant niet gehouden is tot indiening van de periodieke btw-aangifte en dit niet laat weten aan zijn dienstverrichter. Maar het lijkt eerder de bedoeling te zijn van de wetgever dat deze vermelding verplicht is als eender welke afnemer niet heeft laten weten of hij wel of niet periodieke btw-aangiftes moet indienen.

Een ander belangrijk gevolg van de nieuwe regeling is dat deze verlegging van heffing nu ook moet worden toegepast als de afnemer een buitenlandse btw-plichtige is die in België rechtstreeks voor de btw is geregistreerd.

Deze wijzigingen zijn van toepassing vanaf 1 januari 2023.

 

Gemengde btw-plichtige – werkelijk gebruik

Eind 2021 nam de wetgever een wet aan die gemengde btw-plichtigen die voor het bepalen van hun aftrekbare btw het werkelijk gebruik toepassen, vanaf 1 januari 2023 verplicht om van die keuze een voorafgaandelijke kennisgeving te doen. Volgens het recente KB moeten btw-plichtigen die hun activiteit aanvangen en het werkelijk gebruik zullen toepassen, die kennisgeving doen vóór het einde van het eerste aangiftetijdvak (maand of kwartaal) dat volgt op de aanvang de activiteit. Btw-plichtigen die ingevolge een wijziging van hun activiteit het werkelijk gebruik willen toepassen, moeten de kennisgeving doen vóór het einde van het eerste aangiftetijdvak (maand of kwartaal) dat volgt op de wijziging van de activiteit. En eens gekozen voor het werkelijke gebruik, moet men dit blijven toepassen tot 31 december van het derde jaar dat volgt op de datum van de uitwerking van die kennisgeving. Pas daarna kan overgeschakeld worden naar het algemeen verhoudingsgetal (opnieuw via een kennisgeving).

Deze btw-plichtigen moeten bij hun btw-aangifte van het eerste kwartaal (of voor maandaangevers die van januari, februari of maart), via INTERVAT de volgende gegevens meedelen:

  • het definitief verhoudingsgetal van het vorige jaar (als men dit toepaste);
  • procentueel uitgedrukt, de btw op kosten die volledig recht op aftrek geven, de btw op kosten die geen recht op aftrek geven en de btw op kosten die voor beide activiteiten worden gebruikt;
  • het (de) bijzondere verhoudingsgetal(len) van toepassing op de gemengde kosten – bij toepassing van meerdere bijzondere verhoudingsgetallen, het globale resultaat van de toepassing van die bijzondere verhoudingsgetallen op de aan de btw-plichtige in rekening gebrachte btw op de gemengde kosten.

De voormelde kennisgevingen moeten gebeuren via het formulier e-604A (bij aanvang activiteit) of e-604B (bij wijziging), in te dienen via MyMinfin. Zonder voorafgaande kennisgeving mag het werkelijke gebruik volgens de fiscus niet toegepast worden. De fiscus zal de ontvangst van de kennisgeving bevestigen (PDF-document). En als hij vindt dat de wijze waarop het werkelijk gebruik wordt toegepast niet (meer) overeenstemt met de werkelijkheid, dan zal de fiscus het werkelijk gebruik weigeren of voorstellen doen voor andere criteria om het toe te passen.

De gemengde btw-plichtigen die reeds op 31 december 2022 hun recht op btw-aftrek uitoefenen op basis van het werkelijk gebruik, moeten voormelde kennisgeving doen vóór 1 juli 2023.

En de fiscus behoudt het recht om gemengde btw-plichtigen die het algemeen verhoudingsgetal toepassen, in bepaalde situaties te verplichten om het werkelijke gebruik toe te passen.

KB van 26 oktober 2022, B.S. 10 november 2022